Welke uitgaven heeft een huishouden?
Bij een huishouden gaat het grootste deel van het inkomen op aan wonen. Dit zijn kosten voor de huur of hypotheek, verzekeringen en gas, water en elektriciteit. Deze kosten noem je vaste lasten, omdat je met een vaste regelmaat betaald worden en je eraan vast zit. Daarnaast zijn er in een gezinshuishouden ook dagelijkse of huishoudelijke uitgaven. Dit zijn de uitgaven voor het huishouden zoals boodschappen en persoonlijke verzorging. Dit zijn geen vaste lasten, ook niet als je elke week boodschappen doet. Je zit er niet aan vast, want je kunt ook vaker gaan of een keer overslaan. Tenslotte zijn er ook incidentele uitgaven. Dit zijn meestal grote uitgaven, zoals de aanschaf van een wasmachine of een vakantie reis. Deze uitgaven komen niet zo vaak voor. Mensen reserveren vaak geld voor deze uitgaven. Het geld hiervoor zetten ze bijvoorbeeld op een spaarrekening tot ze het nodig hebben.
Welke inkomsten zijn er?
Voor al je uitgaven heb je geld nodig. Hoe kom je daaraan? Heb je een baantje, krijg je zakgeld of heb je misschien geld voor je verjaardag gekregen? Het geld dat je ontvangt noem je inkomen. Je kunt het inkomen onderverdelen in drie soorten:
- Inkomen uit arbeid is loon dat je ontvangt als je werkt.
- Inkomen uit bezit is geld dat je ontvangt als je bezittingen beschikbaar stelt, bijvoorbeeld door een vakantiehuis te verhuren of de rente die je ontvangt op een spaarrekening.
- Overdrachtsinkomen is geld dat je ontvangt zonder dat je er een directe tegenprestatie voor levert, bijvoorbeeld kinderbijslag of een uitkering. Overdrachtsinkomen wordt betaald van belastinggeld en krijg je van de overheid. Zakgeld en geld voor je verjaardag horen ook bij het overdrachtsinkomen, al krijg je deze natuurlijk niet van de overheid.
Inkomen uit arbeid en inkomen uit bezit noem je samen het primair inkomen. Hierover betaal je belasting aan de overheid. Je besteedbare inkomen wordt dan lager. Sommige mensen hebben recht op een overdrachtsinkomen, waardoor het besteedbare inkomen weer omhoog gaat. Wanneer je het overdrachtsinkomen en de belasting verrekent met het primaire inkomen, krijg je het secundair inkomen. De berekening van het secundair inkomen ziet er dan zo uit:
Inkomen uit arbeid
Inkomen uit bezit +
Primair inkomen
Belastingen –
Overdrachtsinkomen +
Secundair inkomen (= besteedbaar inkomen)
Hoe maak je een overzicht van inkomsten en uitgaven?
Wanneer je loon gekregen hebt, kun je iets kopen wat je nodig hebt. Maar wanneer je geld op is, moet je wachten tot de volgende uitbetaling. Het bedrag dat je in een periode kunt uitgeven, is je budget.
Jouw budget kan bestaan uit je zakgeld en/of het loon dat je met werken verdient.
Soms is je budget niet voldoende om in alle behoeften te voorzien. Om je budget goed op je uitgaven af te stemmen, kun je een overzicht maken. Een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode noem je een begroting.
Als je meer inkomsten hebt dan uitgaven, heb je een begrotingsoverschot. Dit is het bedrag dat je kunt sparen. Als je meer uitgaven hebt dan inkomsten, heb je een begrotingstekort.
Inkomsten of uitgaven kun je per week, maand of kwartaal hebben. Als je bedragen met elkaar wilt vergelijken moet je ze eerst omrekenen naar dezelfde periode, bijvoorbeeld naar bedragen per maand. Op de volgende pagina staat hoe je dit doet.
Hoe maak je een begroting sluitend?
Wanneer je niet meer geld wilt uitgeven dan je hebt, moet je ervoor zorgen dat je begroting sluitend is. Dat is het geval als je inkomsten en uitgaven met elkaar in evenwicht zijn. Als dat niet het geval is, moet je de begroting aanpassen.
Bij een dreigend begrotingstekort kun je de oplossing aan twee kanten zoeken. Je kunt bekijken hoe je je inkomsten kunt vergroten. Je kunt ook nagaan of je op je uitgaven kunt bezuinigen. Dit kun je doen door bij je dagelijkse uitgaven bijvoorbeeld minder te kopen of minder dure merken te kopen. Zo kun je best wel wat geld besparen. Op je vaste lasten kun je niet goed bezuinigen, want deze uitgaven staan vaak voor een langere tijd vast.
Bij een begrotingsoverschot kun je geld gaan sparen of reserveren. Dit geld kun je dan gebruiken om een buffer op te bouwen om latere tegenvallers op te vangen.
Een begroting maak je voor een toekomstige periode. Prijzen van producten stijgen vaak elk jaar een beetje. Als je evenveel producten wilt blijven kopen, stijgen je uitgaven dus ook. Maar dat is geen probleem als je inkomsten net zoveel zullen stijgen. Hier moet je wel rekening mee houden als je een begroting voor volgend jaar gaat maken. Prijs- en loonstijgingen worden vaak in procenten uitgedrukt. Hoe je een procentuele stijging of daling berekent, lees je in het formuleblokje.