Voederconversie en groei van vleesvarkens
1. Voederconversie bij vleesvarkens
Voederconversie is het aantal kilogram voer dat een varken moet eten om 1 kg groei te realiseren.
Formule:
- Lage voederconversie (bv. 2,3) betekent efficiënter voergebruik en dus hogere winst dan een hoge voederconversie (bv. 3).
a) Voorwaarden voor een gunstige voederconversie
- Maximale eiwitopbouw en groeisnelheid benutten
- Energieverlies voor onderhoud zo laag mogelijk houden
- Comfortabele en rustige leefomgeving
- Energierijk voer met goede eiwit/energieverhouding
- Gezonde, ziektevrije dieren
2. Dagelijkse groei
- Dagelijkse groei = toename in lichaamsgewicht per dag (gram/dag)
- Berekening:
- Normale waarden: 600 tot 1000 gram per dag, afhankelijk van startgewicht.
3. Energiebehoefte van vleesvarkens
-
Varkens hebben energie nodig voor:
- Onderhoud van het lichaam
- Groei, bestaande uit:
- Spieraanzet
- Vetaanzet
- Beendergroei
-
Spieropbouw vereist eiwitten.
-
Pdmax = Maximale eiwitaanzetcapaciteit, de hoogste snelheid waarmee een varken eiwit kan omzetten in spiermassa.
-
Groeien varkens sneller dan Pdmax, dan vervetten ze.
4. Verschillen tussen geslachten en types
| Type | Kenmerken voederopname en groei |
|---|---|
| Bargen | Eten relatief veel, zetten sneller vet aan, voederopname moet beperkt worden |
| Beren | Hogere Pdmax, kunnen meer voer omzetten in spiergroei |
| Gelten | Naderen Pdmax, efficiënt in spiermassa-opbouw |
| Immunocastraten | Gedragen zich eerst als beren, later als bargen; iets lagere aminozuurbehoefte dan bargen |
5. Factoren die voederconversie beïnvloeden
- Genetica
- Voedersamenstelling
- Aminozuurgehalte
- Fasevoeding
- Energie-inhoud van het voer
- Voedervorm
- Geslacht
6. Genetica
- Piétrainbeer: zorgt voor productie van mager vlees, wat energie-efficiënter is en meer waard.
7. Voeder
Belangrijke factoren in voedersamenstelling:
- Energie
- Eiwit
- Mineralen
- Vezels
Gevolgen van verkeerde voederhoeveelheid:
| Te weinig voer | Te veel voer |
|---|---|
| Hogere voederconversie door onvoldoende spieraanzet | Hogere voederconversie door vetaanzet |
| Gewichtsverlies of onvoldoende groei | Varkens vervetten |
8. Aminozuurgehalte
- Te weinig aminozuren → onvoldoende spieropbouw
- Te veel aminozuren → verspilling en hogere kosten
> Een optimale aminozuurbalans is cruciaal voor een efficiënte groei en een lage voederconversie.
Energiebehoefte en eiwitaanzet
1. Energiebehoefte en eiwitaanzet bij varkens
- Eiwitbehoefte daalt tijdens de groei, wat in grafieken wordt weergegeven als een dalende lijn.
- Fasenvoeding stemt het eiwitgehalte in het voer af op deze veranderende behoefte om tekorten of overschotten te vermijden.
- Tekorten aan aminozuren verhinderen spieropbouw; overtollige aminozuren worden omgezet in vet, wat de voederconversie verslechtert.
- Te veel aminozuren leiden tot slechtere voeropname en negatieve effecten op voederconversie.
2. Fasenvoeding
| Type fasevoeding | Kenmerken | Voordelen |
|---|---|---|
| Eénfasevoeding | Constant eiwitgehalte gedurende groei | Eenvoudig, maar minder efficiënt |
| Tweefasevoeding | Twee fasen met verschillend eiwitgehalte | Goed compromis tussen eenvoud en efficiëntie |
| Meervoudige fasen | Meerdere fasen met nauwkeurige eiwitafstemming | Optimale voederconversie, complexer |
- De traplijn in grafieken toont het eiwitgehalte per fase.
- Vakjes onder de lijn = eiwittekort; boven de lijn = overschot.
3. Energie-inhoud en voedervorm
- Pelleteren verbetert de voederconversie met 4–5% door betere vertering en minder verlies.
- Te fijn gepelleerd voer kan echter het risico op maagzweren verhogen.
- Voedervorm beïnvloedt dus efficiëntie en gezondheid.
4. Invloed van geslacht op voederstrategie
| Geslacht | Voeropname | Groei en vetaanzet | Voederconversie | Aminozuurbehoefte |
|---|---|---|---|---|
| Bargen | Hoog | Snelle groei, snelle vetaanzet | Hoger (minder efficiënt) | Gemiddeld |
| Gelten | Gemiddeld | Efficiënte aminozuurbenutting | Gemiddeld | Kritisch: te weinig = groeiverlies, te veel = verspilling |
| Beren | Laag | Meer spieropbouw | Beste (meest efficiënt) | Hoog per kg voer |
- Immunocastraten lijken eerst op beren, maar na tweede vaccinatie meer op bargen met lagere aminozuurbehoefte en aangepaste voederbehoeftes.
> Fasenvoeding voorkomt eiwittekorten en overschotten, verbetert voederconversie en vermindert kosten en stikstofuitscheiding.
Factoren die voederconversie beïnvloeden
1. Factoren die voederconversie beïnvloeden
a) Geduld en juiste geboortehulp
- Geduld hebben: natuurlijke kalving afwachten, niet te snel ingrijpen.
- Correct trekken: alleen helpen bij nood, in het juiste ritme en richting.
- Goede controle: ligging van het kalf nakijken.
- Rustige omgeving: stress vermijden voor de koe.
- Navel ontsmetten: direct na de geboorte.
b) Toepassing van geboortehulp
- Voorzichtig zijn met het verlosapparaat.
- Enkel trekken bij persweeën.
- Trektouwtjes onder de bijklauwtjes plaatsen, lus aan de binnenzijde.
c) Preventieve maatregelen na het afkalven
| Probleem | Preventieve maatregel |
|---|---|
| Baarmoederontsteking | Controleren of nageboorte is afgekomen |
| Lebmaagverdraaiing | Lauw drinkwater geven |
| Melkziekte | Calciuminfuus of calciumbolus toedienen |
| Opstartproblemen | Propyleenglycol toedienen |
- Lichaamstemperatuur meten:
- < 38°C → kan wijzen op melkziekte.
-

39°C → kan wijzen op mastitis, baarmoederontsteking of longontsteking.
d) Vruchtbaarheidskengetallen en normen
| Kengetal | Betekenis | Norm | Invloedsfactoren |
|---|---|---|---|
| Interval kalven – 1e inseminatie | Dagen tussen kalven en eerste inseminatie | 60 dagen | Bronstwaarneming, gezondheid, productieniveau |
| Interval kalven – dracht | Tijd tussen kalving en dracht | - | - |
| Tussenkalftijd | Tijd tussen twee kalvingen | - | - |
| Efficiëntiegetal | Aantal inseminaties per drachtig dier | 1,8 | - |
| Inseminatiegetal | Gemiddeld aantal inseminaties per koe | 2,0 | - |
| Percentage dracht na 1e inseminatie | Succespercentage na eerste inseminatie | - | - |
- Leeftijd bij eerste inseminatie: norm 14 maanden; niet te laat insemineren om optimale vruchtbaarheid te behouden.
- Leeftijd bij eerste kalving: rond 24 maanden, optimaal voor melkproductie en gezondheid.
e) Vruchtbaarheidsproblemen en rol van de veehouder
- Veehouder heeft grote invloed op vruchtbaarheid door:
- Goede bronstherkenning.
- Tijdige inseminatie.
- Goede administratie voor opvolging.
- Juiste begeleiding bij afkalven en hygiëne om infecties te voorkomen.
f) Stille bronst
- Dieren zijn bronstig zonder zichtbare uitwendige symptomen.
- Oorzaak: inactiviteit van de eierstokken.
- Komt vooral voor bij bepaalde dieren, vereist aandacht bij vruchtbaarheidsbeheer.
> Het correct toepassen van geboortehulp en preventieve maatregelen na het afkalven zijn cruciaal voor het behoud van de gezondheid en vruchtbaarheid van de koe, wat direct de voederconversie en productiviteit beïnvloedt.
Fasenvoeding en voedervorm
1. Fasenvoeding en voedervorm
a) Schijndracht
- Definitie : Dieren die niet meer bronstig worden maar niet drachtig zijn.
- Oorzaak : Fout in hormoonbalans → geen prostaglandine → gele lichaam blijft bestaan → progesteronproductie blijft doorgaan.
b) Opblijven van de nageboorte
- Normaal : Nageboorte komt los binnen 6–12 uur na kalven.
- Herstel baarmoeder : Ongeveer 3 weken.
- Probleem bij opblijven : Vruchtvliezen sterven af, rotten → infecties → baarmoederontsteking.
- Oorzaken :
- Verkorte drachtduur.
- Tweeling.
- Vroegtijdige verworpen.
- Slechte conditie (te vet of te mager).
- Tekort aan mineralen (Ca, Mg, Se) en vitamine E.
c) Embryonale sterfte
- Definitie : Sterfte van embryo vóór normale drachtduur is voltooid.
- Oorzaken :
- Te late inseminatie → bevruchting met oude eicel → chromosomenschade.
- Slecht baarmoederherstel (zware geboorte, opblijven nageboorte, ontsteking).
- Ziekten met koorts (bv. mastitis).
d) Baarmoederontsteking (endometritis)
| Kenmerk | Klinische baarmoederontsteking | Subklinische baarmoederontsteking |
|---|---|---|
| Oorzaken | Abortus, moeilijke geboorte, opblijven nageboorte, slechte hygiëne bij kalving | Zelfde als klinisch, maar zonder zichtbare symptomen |
| Symptomen | Traagheid, verminderde eetlust, lagere productie, stinkende uitvloei (chocoladekleurig), witvuilen | Geen zichtbare afwijkingen, diagnose via staal (ontstekingscellen) |
| Gevolg | Moeilijk of niet drachtig worden | Moeilijk of niet drachtig worden |
| Preventie (management) | - Moeilijke verlossingen vermijden (stierkeuze) |
- Goede hygiëne bij kalving: aparte afkalfbox, vers en dik strooisel
- Bij hulp: koe wassen rond staart, handen ontsmetten, veel glijmiddel gebruiken
- Stress beperken: contact met koppel behouden, kort verblijf afkalfbox
- Metabole aandoeningen beperken: eetlust stimuleren na afkalven | Zelfde als klinisch | | Behandeling | Antibiotica, baarmoederspelen, tochtig spuiten | Zelfde als klinisch |
Belangrijk : Opblijven van de nageboorte verhoogt het risico op baarmoederontsteking, wat de vruchtbaarheid sterk kan verminderen.
Voeding naar geslacht
1. Melkziekte (Calciumtekort)
- Definitie: Melkziekte is een tekort aan calcium in het bloed van de koe.
- Vatbaarheid: Vooral binnen 48 uur na of tijdens het afkalven, vooral bij hoogproductieve en oudere kalfskoeien.
- Oorzaak: Na het kalven stijgt de calciumbehoefte snel voor melkproductie; het lichaam kan deze vraag niet altijd bijbenen.
- Symptomen:
- Geen eetlust, weinig activiteit
- Koude oren
- Verzwakte skeletspieren → koe kan niet opstaan
- Slechte werking van organen (baarmoeder, pens, hart)
- Geen mest of urineproductie
- Trommelzucht door afwezige pensbewegingen
- Soms de dood
- Behandeling:
- Infuus met calcium en magnesium via melkader
- Drench met calciumchloride oraal
- Preventie:
- Goed rantsoen tijdens droogstand: matige kalium- en calciumhoeveelheid, voldoende magnesium en anionische zouten (CaCl₂, MgCl₂, MgSO₄)
2. Lebmaagverplaatsing
- Symptomen:
- Verminderde eetlust
- "Ping" geluid links in de flank
- Afwezige pensgeluiden
- Minder fit, gedaalde melkproductie
- Soms dunne mest
- Preventie: Focus op voeding, overgang rond kalven, beweging en algemene gezondheid
3. Baarmoeder torsie (Draaiing van de baarmoeder)
| Oorzaken | Symptomen | Behandeling |
|---|---|---|
| Veel beweging of plots draaien | Kalving komt niet op gang ondanks tekenen | Koe rollen (plankmethode) |
| Slappe baarmoederophanging (oudere koeien) | Weeën zonder vooruitgang | Inwendig corrigeren door dierenarts |
| Groot of zwaar kalf | Geen kalf of poten zichtbaar | Keizersnede bij falen of te laat |
| Onvoldoende ruimte in de stal | Koe is onrustig of blijft persen zonder resultaat | |
| Onrust of stress rond kalven | Langdurige/moeilijke kalving | |
| Verminderde of afwezige ontsluiting | ||
| Soms verminderde eetlust of stress | ||
| In ernstige gevallen: uitputting van de koe |
- Belangrijk:
- Snel ingrijpen is cruciaal om schade of sterfte te voorkomen
- Altijd dierenarts inschakelen bij vermoeden van baarmoeder torsie
Melkziekte ontstaat door een plotseling calciumtekort na het kalven en vereist snelle behandeling met calcium om ernstige gevolgen te voorkomen.