Soorten vennootschappen en financiële verslaggeving
1. Soorten vennootschappen
Er bestaan verschillende vennootschapsvormen die elk specifieke kenmerken en wettelijke vereisten hebben. De meest voorkomende zijn:
| Soort vennootschap | Kenmerken | Aansprakelijkheid |
|---|---|---|
| Eenmanszaak | Eén eigenaar, geen rechtspersoon | Onbeperkt persoonlijk |
| Vennootschap onder firma (VOF) | Meerdere vennoten, geen rechtspersoon | Onbeperkt en hoofdelijk |
| Besloten vennootschap (BV) | Rechtspersoon, aandelen niet vrij verhandelbaar | Beperkt tot inbreng |
| Naamloze vennootschap (NV) | Rechtspersoon, aandelen vrij verhandelbaar | Beperkt tot inbreng |
2. Analyse van financiële informatie
Financiële verslaggeving biedt inzicht in de financiële gezondheid van een onderneming. Belangrijke aspecten zijn:
- Wie is geïnteresseerd?: aandeelhouders, crediteuren, management, overheid.
- Eisen aan verslaggeving: betrouwbaarheid, relevantie, vergelijkbaarheid, begrijpelijkheid.
3. Balansstructuur
De balans geeft een momentopname van de financiële positie en bestaat uit:
| Balansdeel | Omschrijving |
|---|---|
| Actief | Bezittingen en vorderingen |
| Passief | Eigen vermogen en schulden |
4. Resultatenrekening
De resultatenrekening toont de opbrengsten en kosten over een periode, met als doel het bepalen van het resultaat (winst/verlies).
- Brutomarge = omzet - kostprijs van de verkochte goederen.
- EBIT (Earnings Before Interest and Taxes): bedrijfsresultaat vóór rente en belastingen.
- EBITDA: EBIT + afschrijvingen.
5. Afschrijvingen
Afschrijvingen spreiden de kosten van vaste activa over hun gebruiksduur en beïnvloeden het resultaat.
6. Balansposten
a) Actief
- Vaste activa: materiële en immateriële vaste activa.
- Vlottende activa: voorraden, vorderingen, liquide middelen.
b) Passief
- Eigen vermogen: kapitaal, reserves, resultaat.
- Vreemd vermogen: langlopende en kortlopende schulden.
7. Balans liquiditeit
Liquiditeit meet de mate waarin een onderneming aan haar kortetermijnverplichtingen kan voldoen.
- Nettobedrijfskapitaal = vlottende activa - kortlopende schulden.
- Positief nettobedrijfskapitaal duidt op voldoende liquiditeit.
8. Herwerking van de balans
Aanpassingen kunnen nodig zijn voor een betere analyse, bijvoorbeeld door het herclassificeren van posten.
9. Overlopende rekeningen
- Actief overlopende rekeningen: vooruitbetaalde kosten, nog te ontvangen opbrengsten.
- Passief overlopende rekeningen: vooruit ontvangen opbrengsten, nog te betalen kosten.
10. Financiering van de exploitatiecyclus
De exploitatiecyclus omvat de aankoop, productie en verkoop van goederen. Financiering hiervan gebeurt via eigen en vreemd vermogen.
11. Solvabiliteit
Solvabiliteit geeft aan in welke mate een onderneming haar schulden op lange termijn kan voldoen.
- Solvabiliteitsratio = eigen vermogen / totaal vermogen.
- Een hogere ratio betekent een betere financiële gezondheid.
12. Nettoactieftest
Deze test meet of het actief voldoende is om het vreemd vermogen te dekken.
13. Rentabiliteit
- Brutomarge: winstgevendheid van de verkopen.
- ROE (Return on Equity): rendement op eigen vermogen.
- ROA (Return on Assets): rendement op totaal vermogen.
14. Financiële hefboomwerking
De hefboomwerking toont hoe het gebruik van vreemd vermogen het rendement op eigen vermogen beïnvloedt.
15. Cashflow / Kasstroom
Cashflow geeft de daadwerkelijke geldstroom weer en is cruciaal voor de liquiditeitsanalyse.
> De jaarrekening moet betrouwbaar, relevant en begrijpelijk zijn om een juiste financiële analyse mogelijk te maken.
Balans: structuur en activa
1. Structuur van de balans
De balans geeft een momentopname van de financiële situatie van een onderneming op één specifieke dag (meestal het einde van het boekjaar). Ze bestaat uit twee hoofdonderdelen:
| Actief | Passief |
|---|---|
| Vaste activa | Eigen vermogen |
| - Bezittingen die langer dan 1 jaar in de onderneming blijven. | - Schulden aan eigenaars/vennoten zonder vaste terugbetalings- of vergoedingsafspraken. |
| - Nodig voor duurzame bedrijfsvoering. | |
| Vlottende activa | Vreemd vermogen |
| - Bezittingen die korter in de onderneming blijven. | - Schulden met vaste terugbetalings- en vergoedingsafspraken, bv. bij banken en leveranciers. |
| - Worden snel omgezet in geld. |
Belangrijk: Actief toont wat de onderneming bezit, passief toont hoe dit gefinancierd is (eigen vs. vreemd vermogen).
2. Activa: vaste en vlottende activa
- Vaste activa: investeringen die langer dan één jaar meegaan, zoals gebouwen, machines, en terreinen.
- Vlottende activa: bezittingen die snel in geld worden omgezet, zoals voorraden, handelsvorderingen en liquide middelen.
3. Passiva: eigen vermogen en vreemd vermogen
- Eigen vermogen: kapitaal van de eigenaars, zonder vaste terugbetalingsverplichting.
- Vreemd vermogen: schulden aan derden met vaste afspraken over terugbetaling en rente.
4. Relatie tussen balans en resultatenrekening (RR)
- De balans geeft de financiële positie op één dag weer.
- De resultatenrekening toont de opbrengsten en kosten over een periode (meestal een boekjaar).
- Resultaat = winst of verlies over die periode.
5. Resultatenrekening: overzicht
| Element | Omschrijving |
|---|---|
| Bedrijfsopbrengsten | Inkomsten uit de kernactiviteiten van de onderneming |
| Bedrijfskosten | Kosten verbonden aan de bedrijfsactiviteiten |
| Bedrijfswinst/-verlies | Bedrijfsopbrengsten minus bedrijfskosten |
| Financiële opbrengsten | Inkomsten uit financiële activiteiten |
| Financiële kosten | Kosten verbonden aan financiële activiteiten |
| Winst/-verlies voor belastingen | Bedrijfswinst plus financiële opbrengsten minus financiële kosten |
| Belastingen op resultaat | Te betalen belastingen over de winst |
| Winst/-verlies van het boekjaar | Netto resultaat na belastingen |
6. Wie is geïnteresseerd in de jaarrekening?
| Belanghebbende | Interesse |
|---|---|
| Eigenaars/aandeelhouders | Winst en dividenden |
| Kredietverstrekkers | Terugbetaling van schulden, rente, solvabiliteit, liquiditeit |
| Werknemers | Continuïteit, winstgevendheid, rentabiliteit, liquiditeit |
| Leveranciers | Betaling op korte termijn |
| Klanten | Voorraad en leveringscapaciteit |
| Overheid | RSZ-bijdragen, werkgelegenheid, subsidies, fiscale resultaten |
| Concurrenten | Marktpositie en financiële ratio’s |
| Overnemers | Rentabiliteit en overnameprijs |
| Overigen (milieuverenigingen, pers, studenten, ...) | Diverse belangen |
7. Eisen aan financiële verslaggeving
- Vergelijkbaarheid: vergelijkbaar over periodes en met andere ondernemingen.
- Periodiciteit: regelmatige rapportage (meestal jaarlijks).
- Objectiviteit: feitengetrouw en zonder vooringenomenheid.
- Getrouw beeld: realistische weergave van de financiële situatie.
- Duidelijkheid: begrijpelijk voor gebruikers.
- Volledigheid: alle relevante informatie moet aanwezig zijn.
- Controleverslag door commissaris verplicht voor grote ondernemingen.
> De balans toont de financiële positie op een bepaald moment, terwijl de resultatenrekening het resultaat over een periode weergeeft.
Resultatenrekening: opbrengsten en kosten
1. Resultatenrekening: opbrengsten en kosten
a) Bedrijfsopbrengsten en -kosten
- Bedrijfsopbrengsten: belangrijkste is omzet (verkopen).
- Niet-recurrente opbrengsten = uitzonderlijke, eenmalige opbrengsten.
- Bedrijfskosten: o.a. aankopen handelsgoederen, energiekosten, lonen, afschrijvingen.
- Niet-recurrente kosten = uitzonderlijke, eenmalige kosten.
b) Bedrijfswinst (EBIT)
- EBIT (Earnings Before Interest and Taxes) = operationeel bedrijfsresultaat.
- EBIT = bedrijfsopbrengsten - bedrijfskosten, exclusief niet-recurrente posten.
- Meet de operationele prestaties zonder rekening te houden met rente en belastingen.
c) Financiële posten en resultaat na belastingen
- Na EBIT volgen:
- Financiële opbrengsten (bv. rente, dividenden)
- Financiële kosten (bv. intrestbetalingen)
- Winst voor belastingen
- Vennootschapsbelasting
- Winst/verlies van het boekjaar
- Te bestemmen winst
d) Analyse van resultatenrekening
- Vergelijking met vorig boekjaar: omzet, brutomarge, winst, opbrengsten/kosten.
- Samenstelling van winst: recurrente vs. uitzonderlijke omstandigheden.
- Verlies door eenmalige tegenvallers of structurele oorzaken?
- Invloed van fiscale optimalisatie (toegestaan) vs. belastingontduiking (verboden).
e) EBITDA
- EBITDA = Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization.
- Beter dan EBIT voor operationele prestaties, omdat afschrijvingen niet worden meegerekend.
- EBITDA = verkoop - kosten van goederen, diensten en lonen.
- Moeilijk te manipuleren, goede maatstaf voor vergelijking tussen bedrijven.
2. Afschrijvingen
a) Definitie en doel
- Boekhoudkundig principe om investeringskosten te spreiden over de gebruiksduur.
- Voorkomt dat volledige investering in aankoopjaar als kost wordt geboekt, wat winst sterk zou drukken.
- Jaarlijkse afschrijving weerspiegelt waardevermindering van activa.
b) Toepassing
- Afschrijving op oprichtingskosten, immateriële en materiële vaste activa.
- Afschrijvingsbasis = historische aanschaffingswaarde (aankoopprijs + bijkomende kosten).
- Afschrijvingstermijn volgens fiscale regels, bv.:
Activa Termijn Gebouwen 20-50 jaar Wagens 3-5 jaar PC’s, laptops 3-5 jaar Installaties 5-10 jaar Terreinen Niet afgeschreven (tenzij duurzame waardevermindering)
c) Methoden
- Lineair: elk jaar gelijk bedrag (bv. auto van €50.000 over 5 jaar = €10.000/jaar).
- Degressief: hogere afschrijving in eerste jaren, daarna minder (bv. auto €50.000: jaar 1 = €20.000, jaar 2 = €12.000, jaar 3 = €10.000).
- Degressief volgt beter de werkelijke waardevermindering.
d) Gevolgen van afschrijvingen
- Verlaging van winst in afschrijvingsjaren.
- Geen kasuitgave: afschrijvingen zijn kosten zonder gelduitstroom.
- Waarde van actief op balans daalt jaarlijks met afschrijvingsbedrag.
> Afschrijvingen spreiden investeringskosten over meerdere jaren om een eerlijker beeld van winst en activa te geven.
Afschrijvingen en balansposten
1. Afschrijvingen
- Afschrijven = verdelen van de aankoopkost van een materieel vast actief over de gebruiksduur.
- Gebruik van afschrijvingen: kosten spreiden om het resultaat correct weer te geven.
- Afschrijfmethodes moeten consequent zijn: niet elk jaar wijzigen om winst of belastingen te beïnvloeden.
- Fout: marktwaarde van een MVA staat niet op de balans, wel de boekwaarde (aankoopprijs minus afschrijvingen).
Afschrijven is het systematisch toerekenen van de kostprijs van een actief over de economische gebruiksduur.
2. Balansposten
a) Actiefzijde
| Categorie | Kenmerken | Voorbeelden | Belang |
|---|---|---|---|
| Vaste activa | Ingezet voor meerdere jaren, leveren LT economische voordelen (investeringen) | Terreinen, gebouwen, machines, leasing | Worden afgeschreven indien beperkte levensduur |
| - Materiële vaste activa | Lichamelijk aanwezig | Machines, meubilair | Beperkte of onbeperkte levensduur |
| - Immateriële vaste activa | Onlichamelijk, rechten of knowhow | Patenten, licenties, goodwill, R&D-kosten | Geactiveerde kosten, afschrijving mogelijk |
| - Oprichtingskosten | Kosten voor oprichting, keuze tussen onmiddellijke kost of activeren en afschrijven (max 5 jaar) | Notariskosten, publicaties | Geactiveerde kosten |
| - Financiële vaste activa | Aandelen in andere ondernemingen, niet voor belegging maar duurzame band | Dochterondernemingen | Structurele investeringen |
- Indeling vaste activa naar gebruiksduur:
- Onbeperkte levensduur: verouderen niet door gebruik (bv. terreinen).
- Beperkte levensduur: verouderen door slijtage, planmatige afschrijving vereist.
b) Vlottende activa
| Post | Omschrijving | Risico's / Kenmerken |
|---|---|---|
| Voorraden | Goederen bestemd voor verkoop of productie | Waardevermindering, opslagkosten, cashgebruik |
| Vorderingen | Te ontvangen bedragen van klanten (handelsvorderingen) | Risico op dubieuze debiteuren (slechte betalers) |
| Cash | Liquide middelen zoals bank, kassa, geldbeleggingen | Essentieel voor bedrijfsvoering (cash is koning) |
- Werkingskapitaal = verschil tussen vlottende activa en kortlopende schulden, belangrijk voor liquiditeit.
c) Passiefzijde
| Categorie | Omschrijving | Kenmerken |
|---|---|---|
| Eigen vermogen | Inbreng van eigenaars + reserves | Bestaat uit kapitaal, uitgiftepremies, reserves |
| - Kapitaal/inbreng | Waarde ingebracht door eigenaars (geld, natura, arbeid) | In ruil voor aandelen |
| - Uitgiftepremies | Meerprijs betaald door aandeelhouders bij uitgifte nieuwe aandelen | Verhoogt eigen vermogen |
De balans toont de boekwaarde van activa en passiva, niet de marktwaarde. Afschrijvingen zorgen voor een realistische waardering van activa over tijd.
Balans: liquiditeit en werkkapitaal
1. Herwaarderingsmeerwaarden
- Herwaarderingsmeerwaarden ontstaan wanneer vaste activa in marktwaarde stijgen.
- Deze meerwaarde wordt geboekt aan de actiefzijde van de balans en verhoogt het totaal van activa en passiva (A = P).
- De meerwaarde behoort toe aan de aandeelhouders en wordt opgenomen onder eigen vermogen.
- Voorwaarde: het moet een definitieve waardestijging zijn.
- Let op: hierdoor stijgen ook de afschrijvingskosten.
2. Intern Eigen Vermogen en Winst
- Winst/verlies van het afgelopen boekjaar is terug te vinden in de resultatenrekening (RR).
- Winst is het verschil tussen opbrengsten en kosten (winst = opbrengsten – kosten).
- Veelvoorkomende misverstanden:
- Winst betekent niet altijd dat er voldoende cash is.
- Verlies is niet per definitie slecht (kan investering voor groei zijn).
- Extreem hoge winst kan wijzen op te weinig investeringen.
- Winst van één jaar zegt niet alles; balans en cashpositie over meerdere jaren zijn ook belangrijk.
a) Winstbestemming (3 mogelijkheden)
| Mogelijkheid | Omschrijving |
|---|---|
| Winst uitkeren | Dividenden, tantièmes, ... |
| Winst overdragen | Resultaat blijft in onderneming voor later gebruik |
| Winst reserveren | Winsten worden niet uitgekeerd, maar blijven in reserves |
- Reserves zijn winsten die al in gebruik zijn en ergens in het actief zijn geïnvesteerd.
- Overgedragen winst is resultaat zonder definitieve bestemming, kan later uitgekeerd worden.
3. Kapitaalsubsidies
- Bedragen van de overheid voor medefinanciering van vaste activa.
- Worden geboekt als:
- Passief: als financieringsmiddel
- Actief: als vordering of banktegoed
- Subsidies worden geleidelijk als opbrengst afgeboekt volgens het afschrijvingsritme van de betreffende vaste activa.
4. Voorzieningen
- Voorzieningen zijn voorzienbare maar nog niet betaalde kosten (bv. groot onderhoud, pensioenverplichtingen, milieuverplichtingen).
- Bedrag is nog niet exact, maar kan geraamd worden.
- Worden aangelegd om toekomstige kosten te dekken die voortvloeien uit huidige verplichtingen.
5. Vreemd Vermogen
| Type | Voorbeelden | Kenmerken |
|---|---|---|
| Schulden op lange termijn (VVLT) | Hypothecaire leningen, investeringskredieten, starterleningen | Alleen openstaand bedrag op >1 jaar |
| Schulden op korte termijn (VVKT) | Bankschulden, handelsschulden, belastingschulden | Schulden die binnen 1 jaar afgelost moeten worden |
6. Balans en Liquiditeit
a) Herwerking van de balans
- Activa en passiva worden herschikt op basis van looptijd binnen 1 jaar.
- Doel: snel inzicht in liquiditeit en solvabiliteit van de onderneming.
b) Liquiditeit
- Geeft aan of de onderneming haar kortlopende schulden kan betalen met beschikbare liquide middelen en vlottende activa.
- Twee belangrijke ratio’s:
| Ratio | Formule | Toelichting |
|---|---|---|
| Liquiditeit in ruime zin (current ratio) | Beperkte vlottende activa / schulden op KT | >1 betekent voldoende liquiditeit |
| Liquiditeit in enge zin (acid ratio / quick ratio) | (Beperkte vlottende activa – voorraden) / schulden op KT | Strengere maatstaf zonder voorraden |
c) Nettobedrijfskapitaal (NBK) / Werkkapitaal
- NBK = Beperkte vlottende activa – schulden op korte termijn
- Positief NBK (>0) betekent dat de onderneming voldoende werkkapitaal heeft om haar kortlopende verplichtingen te dekken.
> Een gezonde liquiditeit en een positief nettobedrijfskapitaal zijn essentieel voor de financiële stabiliteit van een onderneming.
Balans: overlopende rekeningen en exploitatiecyclus
1. Overlopende rekeningen op de balans
Doel: zorgen dat kosten en opbrengsten correct worden toegerekend aan het juiste boekjaar.
| Type | Balanszijde | Omschrijving |
|---|---|---|
| 490 Over te dragen kosten | Actief | Betaalde kosten die deels op volgend boekjaar betrekking hebben (tegoed voor volgend jaar). |
| 491 Verworven opbrengsten | Actief | Opbrengsten die in volgend boekjaar geïnd worden, maar betrekking hebben op huidig boekjaar. |
| 492 Toe te rekenen kosten | Passief | Kosten die pas later betaald worden, maar betrekking hebben op huidig boekjaar (schuld). |
| 493 Over te dragen opbrengsten | Passief | Opbrengsten ontvangen in huidig boekjaar, maar die deels op volgend boekjaar betrekking hebben. |
a) Voorbeelden
- 490 Over te dragen kosten: Huur van €12.000 betaald op 1 oktober 2024 voor 12 maanden; op 31/12/2024 wordt €9.000 (9 maanden in 2025) als overlopende rekening geboekt.
- 491 Verworven opbrengsten: Intrest van €600 per jaar op kasbon van 1 april 2024 tot 31 maart 2025; op 31/12/2024 wordt €450 (9/12 van €600) geboekt.
- 492 Toe te rekenen kosten: Proximus-rekening van december 2023 en januari 2024 ontvangen in februari 2024; deel december 2023 wordt geboekt als toe te rekenen kosten.
- 493 Over te dragen opbrengsten: Huur van €12.000 betaald op 1 september 2024 voor periode tot 30 oktober 2025; op 31/12/2024 wordt €8.000 (8/12 van €12.000) geboekt.
Belangrijk: Overlopende rekeningen zorgen voor een juiste matching van kosten en opbrengsten met het boekjaar waartoe ze behoren.
2. Exploitatiecyclus en financiering
Exploitatiecyclus: kringloop van vlottende activa waarbij liquide middelen worden omgezet in voorraden, vervolgens in handelsvorderingen, en weer in liquide middelen.
| Stap in exploitatiecyclus | Omschrijving |
|---|---|
| Liquide middelen | Startpunt: aankoop van voorraden/grondstoffen |
| Voorraad | Wordt verwerkt tot afgewerkte producten |
| Handelsvorderingen | Verkoop op krediet aan klanten |
| Liquide middelen | Incasso van vorderingen, cyclus sluit |
3. Analyse van de exploitatiecyclus
- Omloopsnelheid van voorraden (voorraadrotatie): aantal keren dat voorraad in een periode wordt verkocht/ververst.
- Gemiddelde voorraadduur (in dagen): hoe lang voorraden gemiddeld in het bedrijf blijven.
- Sectorafhankelijk: vergelijking met andere bedrijven in dezelfde sector is cruciaal.
- Liquiditeitsperspectief: hogere rotatie is gunstig (snellere omzet van voorraden).
- Let op: hoge rotatie kan leiden tot lagere voorraden, wat kan resulteren in minder hoeveelheidskortingen en hogere transportkosten.
Gulden financieringsregel:
- Langetermijninvesteringen financier je met langetermijnmiddelen.
- Kortetermijninvesteringen financier je met kortetermijnmiddelen.
- Positief netto bedrijfskapitaal (NBK) wordt gebruikt om de exploitatiecyclus te financieren.
4. Netto bedrijfskapitaal (NBK)
- Formule:
NBK = (Vaste middelen + Voorzieningen + Schulden op meer dan 1 jaar) – Vaste activa
NBK > 0 betekent dat er voldoende permanente middelen zijn om de vaste activa en exploitatiecyclus te financieren.
Essentie: een positief NBK verzekert dat de exploitatiecyclus correct gefinancierd is zonder liquiditeitsproblemen.
Balans: solvabiliteit en nettoactieftest
1. Solvabiliteit op de balans
Solvabiliteit meet of een onderneming voldoende eigen vermogen heeft ten opzichte van het totaal aan middelen (vermogen) dat is aangetrokken.
- Ratio's:
| Ratio | Formule | Betekenis |
|---|---|---|
| Solvabiliteit | Eigen vermogen / totaal vermogen | % financiering door eigen vermogen |
| Schuldgraad | Schulden / totaal vermogen | % financiering door vreemd vermogen |
| Gearing ratio (Angelsaksisch) | Schulden / eigen vermogen | Verhouding vreemd vermogen tov eigen vermogen |
-
Interpretatie:
- Een solvabiliteit van 30% betekent dat 30% van de financiering uit eigen vermogen komt.
- Eigen vermogen is duurder dan vreemd vermogen, maar geeft financiële onafhankelijkheid.
- Vreemd vermogen moet worden terugbetaald met rente, wat druk zet op rentabiliteit.
-
Sectorale richtcijfers:
| Sector | Gemiddelde solvabiliteit |
|---|---|
| Landbouw | 50% |
| Horeca | 20% |
Belangrijk: Een lagere financiële onafhankelijkheid betekent meer vreemd vermogen en dus hogere rentelasten.
2. Nettoactieftest (balanstest)
De nettoactieftest controleert of na terugbetaling van alle externe schuldeisers er nog waarde overblijft voor de aandeelhouders.
-
Definitie netto-actief:
- Netto-actief = waarde activa – externe schulden
- Bij verkoop van alle activa worden schulden afbetaald; wat overblijft is het eigen vermogen.
-
Interpretatie:
- Netto-actief > 0 → middelen over voor aandeelhouders, winstuitkering mogelijk.
- Netto-actief ≤ 0 → geen middelen over, geen winstuitkering toegestaan.
-
Wettelijke context:
- Dividenduitkering mag alleen als zowel de liquiditeitstest als de nettoactieftest positief zijn.
- Bij problemen geldt een alarmbelprocedure met verplicht herstelplan.
- Onderneming moet binnen 12 maanden aan betalingsverplichtingen kunnen voldoen.
3. Netto kaspositie en behoefte aan NBK (netto bedrijfskapitaal)
- NBK (netto bedrijfskapitaal) = beperkte vlottende bedrijfsactiva – niet-financiële schulden
- Netto kaspositie = (geldbeleggingen + liquide middelen) – kortlopende financiële schulden
| Situatie | Voorwaarde NBK vs behoefte aan NBK | Netto kaspositie op korte termijn |
|---|---|---|
| NBK > behoefte aan NBK | Netto kaspositie > 0 | Positief |
| NBK = behoefte aan NBK | Netto kaspositie = 0 | Neutraal |
| NBK < behoefte aan NBK | Netto kaspositie < 0 | Negatief |
- Voorbeeld negatieve netto kaspositie:
| Posten | Bedrag (€) |
|---|---|
| Liquide middelen | 40.000 |
| Kortlopende beleggingen | 10.000 |
| Kortlopende financiële schulden | 70.000 |
| Netto kaspositie | 40.000 + 10.000 – 70.000 = -20.000 |
→ Het bedrijf mist €20.000 aan direct beschikbare middelen om kortlopende schulden te dekken.
- Voorbeeld positieve netto kaspositie:
| Posten | Bedrag (€) |
|---|---|
| Liquide middelen | 100.000 |
| Kortlopende beleggingen | 50.000 |
| Kortlopende financiële schulden | 70.000 |
| Netto kaspositie | 100.000 + 50.000 – 70.000 = 80.000 |
4. Exploitatiecyclus en financieringsperiode
- Voorraadrotatie in dagen (OV):
- Aantal dagen klantenkrediet (DKK):
- Aantal dagen leverancierskrediet (DLK):
- Financieringsperiode exploitatiecyclus:
- Concept ‘just in time’: minimaliseren van voorraadduur om financieringsbehoefte te beperken.
> De solvabiliteit geeft aan in welke mate een onderneming financieel onafhankelijk is, terwijl de nettoactieftest controleert of er na aflossing van schulden nog eigen vermogen overblijft.
Resultatenrekening: brutomarge en rentabiliteit
1. Brutomarge (Gross Margin)
- Definitie: Brutomarge = totale bedrijfsopbrengsten – kosten van aankopen bij leveranciers (goederen en materialen).
- Betekenis: Geeft aan hoeveel omzet overblijft na aftrek van de inkoopkosten van goederen en diensten.
- Formule (volledig schema jaarrekening):
Brutomarge = Omzet (rubriek 70) – Aankopen bij derden (rubrieken 60 en 61) - Synoniem: Brutomarge wordt ook wel toegevoegde waarde genoemd.
- Uitdrukking: Bijvoorbeeld, van elke 100 euro omzet blijft 74 euro over na inkoopkosten.
- Interpretatie:
- Positieve brutomarge = goed, bedrijf creëert meerwaarde.
- Negatieve brutomarge = slecht, bedrijf verkoopt onder kostprijs → niet houdbaar.
- Belang: Deze marge moet voldoende zijn om overige kosten te dekken (personeel, afschrijvingen, belastingen, etc.).
a) Factoren die brutomarge bepalen
| Factor | Invloed op brutomarge |
|---|---|
| Leverancierskosten | Duurdere leveranciers → lagere marge; goedkope → hogere marge |
| Korting en inkoopstrategie | Grote orders kunnen korting opleveren, kleine orders niet |
| Doorberekening kosten | Moeilijkheid om stijgende grondstofkosten door te rekenen bij prijsgevoelige markten |
| Producttype | Massaproducten met veel concurrentie → lagere verkoopprijs dan unieke producten |
| Overheadkosten (diensten en diverse goederen) | Huur, energie, reclame, externe diensten, beheerkosten; moeten via verkoop worden terugverdiend |
Tip: Efficiënt kostenbeheer is cruciaal om financiële problemen te vermijden bij tegenvallende omzet.
2. Resultatenrekening als ‘trechter’
- Brutomarge toont waar de grootste kosten liggen en waar ‘kostenlekken’ kunnen zijn.
- Verdere analyse via operationele winstbegrippen zoals EBIT en EBITDA.
3. Rentabiliteit: EBIT & EBITDA
| Term | Betekenis | Wat meet het? |
|---|---|---|
| EBIT | Earnings Before Interest and Taxes | Operationele prestaties zonder rente en belastingen |
| EBITDA | Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization | Operationele prestaties exclusief rente, belastingen, afschrijvingen en waardeverminderingen |
- EBIT: Resultaat van normale bedrijfsvoering, exclusief financierings- en belastingeffecten.
- EBITDA: Nog zuiverder maatstaf van operationele prestaties, moeilijk te manipuleren → geschikt voor vergelijkingen tussen bedrijven.
- EBITDA berekening: Opbrengsten – goederen – diensten – lonen.
4. Rentabiliteit van de verkopen
- EBITDA-marge = (EBITDA / omzet) × 100
- Betekenis: Geeft aan welk percentage van de omzet overblijft als operationele winst vóór rente, belastingen en afschrijvingen.
> De brutomarge toont de meerwaarde na inkoopkosten, terwijl EBIT en EBITDA de operationele winstgevendheid meten zonder invloed van financiering en belastingen.
Resultatenrekening: cashflow en kasstroom
1. Rentabiliteit en marges
| Kengetal | Formule | Betekenis |
|---|---|---|
| EBIT-marge | (EBIT / omzet) × 100 | Operationele winst als % van de omzet, vóór rente en belastingen, na afschrijvingen |
| Netto-winstmarge | (netto-winst / omzet) × 100 | Hoeveel % van de omzet uiteindelijk als netto winst overblijft, na alle kosten |
| ROE (Return on Equity) | (nettoresultaat na belasting / eigen vermogen) × 100 | Efficiëntie van het gebruik van eigen vermogen om winst te genereren |
| ROA (Return on Assets) | (nettoresultaat na belasting / totaal vermogen) × 100 | Winstgevendheid van het totaal vermogen; hoeveel winst per €100 aan activa |
Een hogere ROE betekent dat het bedrijf beter het kapitaal van aandeelhouders benut om winst te maken.
2. Financiële hefboomwerking (hefboomeffect)
- Bedrijven financieren activa deels met vreemd vermogen (leningen).
- Als de rentabiliteit van totaal vermogen (ROA) hoger is dan de rente op leningen, verhoogt dit de ROE.
- Dit effect heet de financiële hefboomwerking: met minder eigen vermogen toch meer rendement behalen.
3. Cashflow / Kasstroom
Definitie:
Cashflow is de totale geldstroom binnen een bedrijf over een bepaalde periode, inclusief alle inkomende en uitgaande geldstromen.
| Type cashflow | Formule | Toelichting |
|---|---|---|
| Operationele cashflow | Bedrijfsresultaat + afschrijvingen (niet-kaskosten) | Geld uit kernactiviteiten |
| Courante cashflow | (Bedrijfsresultaat + financieel resultaat) + afschrijvingen | Operationele + financiële activiteiten |
| Netto cashflow | Nettoresultaat (na belastingen) + afschrijvingen | Netto geldstroom na belastingen |
| Vrije cashflow | Netto cashflow – kapitaalaflossingen op korte termijn | Beschikbaar voor investeringen/leningen |
4. Belangrijke inzichten over cashflow
- Cashflow ≠ winst: winst is verschil tussen opbrengsten en kosten, cashflow is verschil tussen geld in- en uitstroom.
- Niet elke kost is een uitgave van geld (bv. afschrijvingen zijn niet-kaskosten).
- Een positieve cashflow is cruciaal voor het betalen van leningen, leveranciers en dagelijkse kosten.
- Een bedrijf met slechte cashflow kan failliet gaan, ook al maakt het winst.
- Cashflow is de basis voor de terugbetalingscapaciteit van een bedrijf.
Een gezonde cashflow betekent dat er meer geld binnenkomt dan eruit gaat, wat essentieel is voor de continuïteit van het bedrijf.