Inleiding tot Kijk ik: van observatie naar pedagogisch handelen
Kijk ik is een kindvolgsysteem ontwikkeld vanuit de ervaringsgerichte visie van CEGO, dat verder gaat dan enkel observeren. Het ondersteunt kinderbegeleiders bij:
- Observeren van kinderen
- Interpreteren van observaties
- Plannen van pedagogische acties
- Opvolgen van de ontwikkeling van elk kind
1. Belangrijke vragen bij observatie
- Wat vertelt deze observatie mij?
- Hoe kan ik mijn pedagogisch handelen hierop afstemmen?
Kijk ik maakt van observeren een krachtig hulpmiddel om kwaliteitsvolle opvang en begeleiding te bieden.
2. Vergelijking: ZiKo/ZiKo-Vo vs. Kijk ik
| Kenmerk | ZiKo / ZiKo-Vo | Kijk ik |
|---|---|---|
| Doel | Screening en opvolging | Volwaardig kindvolgsysteem |
| Focus | Welbevinden en betrokkenheid in kaart brengen | Volledige observatiecyclus: observeren, interpreteren, handelen, opvolgen |
| Resultaat | Hoe voelt het kind zich op een bepaald moment? | Ondersteuning van gerichte pedagogische keuzes |
| Focus pedagogisch handelen | Signaleren | Ontwikkeling ondersteunen |
| Gebruik | Observatie-instrument in kinderopvang | Systematische opvolging en afstemming van pedagogisch handelen |
3. Kernvragen van Kijk ik
- "Hoe gaat het met dit kind?"
- "Wat betekent dit voor mijn pedagogisch handelen?"
4. CEGO (Expertisecentrum ErvaringsGericht Onderwijs)
- Kennis- en expertisecentrum verbonden aan KU Leuven
- Richt zich op welbevinden en betrokkenheid van kinderen
- Coacht en adviseert scholen en opvanglocaties
> Kijk ik vertaalt observaties naar concrete pedagogische acties om de ontwikkeling van elk kind optimaal te ondersteunen.
Observeren: de basis voor professioneel pedagogisch handelen
1. Observeren als basis voor professioneel pedagogisch handelen
Observeren is het doelgericht en systematisch waarnemen van het gedrag, de communicatie en interacties van een kind met je zintuigen. Het doel is om zo objectief mogelijk te beschrijven wat je ziet, zodat je het kind beter leert kennen en je pedagogisch handelen kunt afstemmen op zijn of haar noden.
Observeren is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om kwaliteitsvolle opvang en begeleiding te bieden.
2. Waarom observeren?
- Kinderen leren kennen
- Ontwikkeling opvolgen
- Pedagogisch handelen afstemmen
Observeren is een cyclisch proces:
Observeren → Interpreteren → Pedagogisch handelen → Opnieuw observeren
3. Kenmerken van een goede observatie
| Kenmerk | Uitleg | Voorbeeld uit de praktijk |
|---|---|---|
| Doelgericht | Gericht op een specifiek aspect of vraag | Observeren hoe een kind speelt tijdens vrij spel |
| Systematisch | Geordend en herhaald, niet toevallig of eenmalig | Meerdere observaties over een langere periode |
| Objectief | Feiten beschrijven zonder interpretatie of oordeel | "Emma zit 20 minuten alleen aan de puzzeltafel" |
4. Wat is géén observatie?
- Interpretaties of meningen over het gedrag
Voorbeeld: "Lars is verlegen, daarom speelt hij alleen." → interpretatie, geen observatie - Ongeorganiseerde of niet-doelgerichte waarnemingen
Voorbeeld: "Noor speelt in de zandbak" zonder systematiek of doel
5. Praktijktip
Een betrouwbare conclusie trek je nooit op basis van één korte observatie. Observeer daarom altijd systematisch, objectief en doelgericht.
6. Samenvatting
- Observeren is de eerste stap in het pedagogisch proces en vereist een professionele houding met aandacht en een open blik.
- Het onderscheid tussen feiten (observaties) en meningen (interpretaties) is cruciaal.
- Door regelmatig te observeren, leer je signalen van kinderen beter herkennen en je handelen beter afstemmen.
- Observeren is een continu proces dat leidt tot betere begeleiding en ontwikkeling van het kind.
Welbevinden en betrokkenheid: kernconcepten
Welbevinden verwijst naar het innerlijke gevoel van een kind: zich veilig, ontspannen en gelukkig voelen, zichzelf kunnen zijn. Een hoog welbevinden uit zich in rust, vertrouwen en tevredenheid. Bij laag welbevinden kunnen emoties als verdriet, angst, spanning en terugtrekking optreden.
| Welbevinden hoog | Welbevinden laag |
|---|---|
| Veilig | Verdrietig |
| Ontspannen | Angstig/onzeker |
| Geaccepteerd | Gespannen |
| Gelukkig | Terugtrekken |
| Zichzelf | Huilen/boos worden |
Een kind leert en ontwikkelt zich optimaal wanneer het zich goed voelt.
Betrokkenheid toont hoe intens een kind bezig is met een activiteit. Het gaat om concentratie, motivatie en actieve deelname aan ontdekken, spelen of leren. Hoge betrokkenheid betekent diepe focus en doorzettingsvermogen; lage betrokkenheid uit zich in afleiding en verveling.
| Betrokkenheid hoog | Betrokkenheid laag |
|---|---|
| Geconcentreerd spelen | Aandacht dwaalt snel af |
| Interesse tonen | Rondkijken zonder focus |
| Nieuwe dingen proberen | Snel stoppen met spelen |
| Niet snel opgeven | Weinig interesse |
| Alles rondom vergeten | Verveling |
Hoe hoger de betrokkenheid, hoe groter de kans op leren en ontwikkeling.
1. Pedagogische observatie: betekenis geven aan wat je ziet
Observeren is de eerste stap, maar de echte taak is interpreteren en handelen. Bijvoorbeeld:
- Waarom speelt een kind niet lang met iets?
- Is het moe, verveeld of uitgedaagd?
- Heeft het ondersteuning nodig?
Een kindvolgsysteem helpt om observaties te koppelen aan pedagogisch handelen.
Een observatie krijgt pas waarde wanneer ze leidt tot beter pedagogisch handelen.
2. The state of flow
Dit is een toestand van maximale concentratie en betrokkenheid waarbij het kind volledig opgaat in de activiteit en geen aandacht heeft voor de omgeving.
3. Samenvatting kernconcepten
| Concept | Definitie | Belang voor ontwikkeling |
|---|---|---|
| Welbevinden | Innerlijk gevoel van veiligheid en geluk | Basis voor optimaal leren en ontwikkelen |
| Betrokkenheid | Intensiteit van concentratie en motivatie | Verhoogt leer- en ontwikkelingskansen |
| Flow | Hoogste niveau van betrokkenheid | Ideale staat voor diep leren |
De ervaringsgerichte visie van Ferre Laevers en CEGO
1. Kernfilosofie van Ferre Laevers en CEGO
- "Als we anders kijken, zien we meer": De traditionele prestatiegerichte aanpak wordt verlaten. Groei van het kind gebeurt pas als welbevinden en betrokkenheid aanwezig zijn.
2. Drie pijlers van de ervaringsgerichte omgeving (EGO)
| Pijler | Beschrijving |
|---|---|
| Vrij initiatief & keuzeruimte | Kinderen maken eigen keuzes en exploreren vanuit intrinsieke motivatie. |
| Milieu verrijking | Leeromgeving sluit aan bij leefwereld en interesses, met rijke materialen en actieve hoeken. |
| Stijl van de begeleider | Leerkracht als coach en vertrouwenspersoon, empathisch en afgestemd op elk kind. |
3. Meten van pedagogische kwaliteit: De Leuvense Schalen
| Schaal | Meet wat? | Score 1-5 (laag → hoog) |
|---|---|---|
| Schaal voor Welbevinden (LSW) | Hoe goed voelt het kind zich? | Van angst/ongeluk tot stralend en genietend |
| Schaal voor Betrokkenheid (LSB) | Mate van concentratie en leerintensiteit | Van afwezig/wegdromen tot diepe, ononderbroken focus |
4. Deep Level Learning (Fundamenteel Leren)
- Hoog welbevinden en betrokkenheid stimuleren creativiteit, probleemoplossend vermogen en blijvende leergierigheid.
- Daling in welbevinden of betrokkenheid is een vroegtijdig alarmsignaal voor de opvoeder om de omgeving aan te passen.
Kwaliteitsvol onderwijs draait om de innerlijke beleving van het kind, niet om afvinklijstjes.
5. Het kindvolgsysteem 'Kijk ik'
- Focus op het kind zelf, niet op wat het nog niet kan.
- Vragen die centraal staan:
- Wie ben ik?
- Hoe voel ik mij?
- Wat vind ik leuk?
- Met wie speel ik?
- Wat kan ik al?
- Helpt opvoeders om talenten en noden te signaleren en ondersteunt constructieve oudergesprekken.
6. De rol van de kinderbegeleider volgens de ervaringsgerichte visie
- Niet alleen zorgen, maar ook:
- Observeren
- Analyseren
- Reflecteren
- Activiteiten aanpassen
- Ondersteunen
- Evalueren
- Omgeving aanpassen in plaats van het kind veranderen.
7. Welbevinden en betrokkenheid als richtingaanwijzers
- Geen doelen op zich, maar signalen die aangeven wanneer iets moet worden onderzocht en aangepast.
- Bij lage scores stel je vragen als:
- Waarom is dit zo?
- Wat heeft het kind nodig?
- Wat kan ik veranderen?
8. Individuele verschillen bij kinderen
- Elk kind heeft unieke behoeften zoals rust, uitdaging, structuur of nabijheid.
- Geen standaardaanpak mogelijk; observatie helpt om elk kind apart te begrijpen.
9. Observeren als voortdurende cyclus
- Observeren, interpreteren, handelen en opnieuw observeren vormen een cyclisch proces.
- Dit proces bevordert zowel de ontwikkeling van het kind als de professionalisering van de begeleider.
Belangrijk: Observeer niet om te beoordelen, maar om te begrijpen en te ondersteunen.
10. Praktijkvoorbeeld
- Observatie: Kind verlaat bouwhoek snel → analyse → aanpassing materialen → langere speelsessie.
- Resultaat: Omgeving aanpassen leidt tot betere betrokkenheid en welbevinden.
11. Reflectievragen bij de visie
- Welke begeleider werkt volgens de ervaringsgerichte visie?
- Degene die observeert, onderzoekt en handelt op basis van de beleving van het kind.
- Waarom is het niet genoeg om alleen een lage betrokkenheidsscore te kennen?
- Je moet er actief op reageren en de situatie verbeteren.
12. Samenvatting
| Begrip | Definitie / Functie |
|---|---|
| Welbevinden | Hoe goed het kind zich voelt in een situatie |
| Betrokkenheid | Mate van concentratie en intensiteit van leren |
| Ervaringsgerichte visie | Kind centraal, focus op beleving ipv prestaties |
| Kijk ik | Instrument om kindontwikkeling te volgen vanuit beleving |
| Rol begeleider | Observeren, analyseren, aanpassen omgeving, ondersteunen |
Essentie: De ervaringsgerichte visie van Laevers en CEGO benadrukt dat een kind optimaal groeit in een omgeving waar het zich veilig, betrokken en gewaardeerd voelt.
Werken met het Kijk ik-document: observeren en kindportret
1. Werken met het Kijk ik-document: observeren en kindportret
Het Kijk ik-document bouwt voort op de kindvolgsystemen ZiKo en ZiKo-Vo, maar richt zich dieper op het pedagogisch handelen via de kijk ik-cyclus:
- Observeren en het kindportret invullen
- Observaties interpreteren
- Pedagogisch handelen bijsturen
2. Observeren en het kindportret invullen
Het kindportret wordt in zes stappen opgebouwd, waarbij elke stap een specifiek aspect van het kind in kaart brengt:
| Stap | Inhoud |
|---|---|
| 1. De zeepbellen | Aanduiden van het welbevinden van het kind en de mate van betrokkenheid in het spel. |
| 2. De trui | Spontaan noteren van het algemene beeld dat je van het kind hebt. |
| 3. De struiken | - Linker struik: materialen en interesses van het kind - Middelste struik: relaties van het kind - Rechter struik: wat het kind niet leuk vindt en waar geen interesse voor is |
| 4. De kaders | Opvallende zaken per ontwikkelingsdomein van de afgelopen weken, met focus op wat het kind kan en graag doet. |
| 5. De kronen | Inkleur van de kroon bij domeinen waarin het kind sterk is of bijzondere interesse toont. |
| 6. De vraagtekens | Inkleur van het vraagteken bij domeinen waarover je nog onzeker bent en verder moet observeren. |
Het invullen van het kindportret in Kijk ik lijkt sterk op dat van ZiKo-Vo, maar met meer nadruk op het pedagogisch handelen.
3. Belangrijk om te onthouden
Observeren is het systematisch verzamelen van informatie over het kind, gericht op het begrijpen van zijn gedrag, interesses en ontwikkeling om het pedagogisch handelen te kunnen afstemmen.
Observaties interpreteren: van feiten naar betekenis
1. Observaties vs. Interpretaties
- Observatie = objectieve beschrijving van wat je ziet, hoort en waarneemt, zonder oordeel.
- Interpretatie = mogelijke verklaring of betekenis van de observatie, gebaseerd op reflectie.
Een observatie is een feit; een interpretatie is een hypothese die je voorzichtig formuleert.
2. Waarom interpreteren?
- Observaties alleen zeggen niet wat je moet doen.
- Interpretaties helpen gedrag te begrijpen en passend pedagogisch handelen te bepalen.
- Vermijd interpretaties als feiten; dit kan leiden tot verkeerde conclusies en beslissingen.
3. Professioneel interpreteren: stel jezelf deze vragen
| Vraag | Doel |
|---|---|
| Wat zie ik? | Concrete gedragingen vaststellen |
| Wat zou dit kunnen betekenen? | Mogelijke verklaringen bedenken |
| Welke info heb ik nog nodig? | Nagaan of één observatie voldoende is |
| Wat vertelt dit over het kind? | Inzicht in interesses, behoeften, moeilijkheden |
| Wat vertelt dit over de omgeving? | Activiteit, uitdaging, rust, reacties van anderen |
| Wat vertelt dit over mijn handelen? | Reflectie op eigen reactie en ondersteuning |
4. Belangrijk: interpretatie is geen diagnose
- Diagnoses stellen is niet de taak van de kinderbegeleider.
- Vermijd labels op basis van één observatie.
- Blijf nieuwsgierig en observeer verder.
5. Gedrag altijd in context bekijken
- Gedrag wordt beïnvloed door:
- Activiteit
- Omgeving
- Andere kinderen
- Begeleider
- Moment van de dag
- Vermoeidheid, honger
- Veranderingen
- Eerdere ervaringen
Context bepaalt de betekenis van gedrag en moet altijd meegewogen worden.
6. Drie stappen van professionele observatie en interpretatie
- IK ZIE
Wat gebeurt er precies? (objectieve observatie) - IK DENK
Wat zou dit kunnen betekenen? (voorzichtige interpretatie) - IK WIL WETEN
Welke informatie heb ik nog nodig? (verder onderzoeken) - IK HANDEL
Wat kan ik doen om het kind te ondersteunen? (pedagogisch handelen)
7. Voorbeeld
- Observatie: "Sam zit tien minuten alleen aan tafel en maakt een puzzel."
- Interpretatie: "Sam vindt het fijn om rustig alleen te spelen of is geïnteresseerd in puzzels."
8. Samenvatting
- Observeer objectief: noteer feiten zonder oordeel.
- Interpreteer voorzichtig: formuleer mogelijke betekenissen, blijf open.
- Houd rekening met context: gedrag is nooit los te zien van omgeving en situatie.
- Vermijd diagnoses: blijf nieuwsgierig en blijf observeren.
- Reflecteer op eigen handelen: hoe ondersteun je het kind het beste?
Interpretaties zijn hypothesen die je helpen het kind beter te begrijpen en passend te begeleiden.
Pedagogisch handelen bijsturen: van inzicht naar actie
1. Van observatie naar actie: de professionele cyclus
Pedagogisch handelen bijsturen betekent dat je niet stopt bij het zien en interpreteren van gedrag, maar ook actie onderneemt en het effect daarvan evalueert. Dit verloopt in vier stappen:
- IK ZIE: Wat gebeurt er? (observatie)
- IK DENK: Wat kan dit betekenen? (interpretatie)
- IK DOE: Wat kan ik aanpassen of aanbieden? (actie)
- IK KIJK OPNIEUW: Heeft mijn aanpak effect gehad? (evaluatie)
Een goede begeleider kijkt niet alleen naar het kind, maar ook naar zichzelf en de omgeving.
2. Factoren die invloed hebben op het gedrag van een kind
Een kind dat weinig betrokken is, hoeft niet "probleemgedrag" te vertonen. Mogelijke oorzaken kunnen liggen bij:
| Factor | Voorbeelden |
|---|---|
| Activiteit | Moeilijkheidsgraad, organisatie |
| Materiaal | Aansluiting bij interesses, hoeveelheid |
| Omgeving | Rustige plek, storende prikkels |
| Sociale omgeving | Groepssamenstelling, conflicthulp |
| Begeleiding | Interactie, ondersteuning, aanpak |
| Tijd | Moment van de dag, tempo, structuur |
3. Mogelijke pedagogische acties per domein
| Domein | Acties |
|---|---|
| Eigen interactie | Meer nabijheid, geruststellen, vragen stellen, aanmoedigen, voorbeeld geven, tijd geven, minder snel helpen |
| Activiteit | Eenvoudiger maken, meer uitdaging, aansluiten bij interesses, meer keuze, anders organiseren |
| Omgeving | Rustige plek creëren, materiaal anders aanbieden, speelhoeken aanpassen, storende prikkels verminderen |
| Sociale omgeving | Kind koppelen aan ander kind, klein groepje maken, ondersteuning bij samenspel, conflictoplossing helpen |
| Tempo & structuur | Meer tijd geven, overgang aankondigen, activiteit korter maken, voorspelbaarheid en rituelen bieden |
4. Doelgericht handelen: voorbeeldcasus Noor
- Observatie: Noor wisselt vaak van activiteit, raakt moeilijk betrokken.
- Interpretatie: Moeite met kiezen wat ze wil doen.
- Doel: Noor ondersteunen om zelfstandig te kiezen en langer betrokken te blijven.
- Acties:
- Twee keuzemogelijkheden aanbieden.
- Samen starten met een activiteit.
- Spelhoeken overzichtelijker maken, minder materiaal tegelijk.
- Opvolging: Opnieuw observeren om effect te meten.
Niet elke actie is automatisch de beste; herhaald observeren is essentieel.
5. Pedagogische actie: kenmerken van een goede aanpak
Een goede pedagogische actie is:
- Doelgericht: duidelijk wat je wil bereiken.
- Afgestemd op het kind: rekening houdend met interesses, mogelijkheden en behoeften.
- Haalbaar: uitvoerbaar in de praktijk.
- Niet overnemend: ondersteunt zonder het kind te vervangen.
- Observeerbaar: effect kan gemeten worden.
- Flexibel: bijsturen indien nodig.
6. Werken vanuit sterktes en interesses
- Aansluiten bij wat een kind leuk vindt verhoogt betrokkenheid en welbevinden.
- Voorbeeld: Saar houdt van dieren → taal stimuleren via dierenboeken, dierenpuzzels, dierenkaartjes.
- Sterktes kunnen als hefboom dienen om andere ontwikkelingsdomeinen te stimuleren (bijv. motoriek inzetten om taal uit te lokken bij Victor).
7. Pedagogische actie is een hypothese
Elke actie is een veronderstelling die getest wordt:
- Je kiest een aanpak waarvan je denkt dat die het kind kan helpen.
- Je voert de actie uit.
- Je observeert opnieuw om te zien of het werkt.
8. Praktische tips bij het bijsturen van pedagogisch handelen
- Niet elk gedrag vraagt om directe interventie; soms is ruimte geven beter dan overnemen.
- Pas je eigen interactie aan als het kind niet reageert op een algemene uitnodiging (bijv. concreet aanbod doen, samen starten).
- Kies acties die aansluiten bij het kind en het ontwikkelingsdoel.
9. Samenvattend: de professionele cyclus
| Stap | Vraag | Voorbeeld bij Noor |
|---|---|---|
| Observatie | Wat zie ik? | Noor wisselt vaak van activiteit |
| Interpretatie | Wat betekent dit? | Moeite met kiezen |
| Actie | Wat wil ik bereiken? | Noor langer betrokken laten blijven |
| Uitvoering | Welke actie kies ik? | Keuze aanbieden, samen starten |
| Evaluatie | Werkt het? | Opnieuw observeren |
Een pedagogische actie is nooit definitief, maar een proces van proberen, observeren en bijsturen.
De professionele cyclus: observeren, denken, handelen, opnieuw kijken
1. De professionele cyclus in pedagogisch handelen
Pedagogisch handelen betekent bewust keuzes maken op basis van observaties van een kind, je handelen durven aanpassen en het effect daarvan opnieuw bekijken.
a) Het kindportret als vertrekpunt
- Het kindportret verzamelt alle informatie die je over een kind hebt.
- Nieuwe observaties vullen het kindportret aan of veranderen het.
- Zo ontstaat een steeds vollediger beeld van het kind.
b) De cyclus van professioneel handelen
De professionele cyclus verloopt niet lineair, maar in herhalende stappen:
| Stap | Beschrijving |
|---|---|
| Observeren | Informatie verzamelen over het gedrag van het kind. |
| Denken | Reflecteren op wat je hebt gezien en geïnterpreteerd. |
| Handelen | Pedagogische keuzes maken en uitvoeren op basis van de observaties. |
| Opnieuw kijken | Evalueren van het effect van je handelen en nieuwe observaties doen. |
> Pedagogisch handelen is een cyclisch proces van observeren, denken, handelen en opnieuw kijken, waarbij je het kind steeds beter leert kennen en je aanpak aanpast.
c) Belang van de cyclus
- Het helpt niet alleen om het kind beter te begrijpen.
- Het ondersteunt ook om effectiever te handelen vanuit wat je observeert.