De groei van de zorg
1. Historische ontwikkeling van de zorg voor personen met een handicap
- 19e eeuw: Oprichting van het Gemeen Fonds (1876) voor onderhoud en verzorging van geesteszieken, blinden, doofstommen en andere hulpbehoevenden. Personen werden in gestichten geplaatst, geïsoleerd van de maatschappij.
- Tot jaren 60: Overheersing van het vergoedingsbeleid met sociale zekerheidsregelingen voor personen met een handicap (toen "gebrekkigen" genoemd).
- Jaren 60: Opkomst van het herstelbeleid gericht op het verminderen van beperkingen via professionele interventies, bv. buitengewoon onderwijs (1970).
- 1967: Oprichting van Fonds 81, hervorming van het zorgbeleid met behoud van totaalopvang, maar uitbreiding naar semi-residentiële zorg en zorg in thuismilieu. Doel: maatschappelijke integratie.
2. Vlaamse zorgstructuur en bevoegdheden
| Periode | Organisatie/Beleid | Taken en bevoegdheden |
|---|---|---|
| Voor 1980 | Nationale overheid (3 departementen/parastatalen) | - Ministerie Sociale Voorzorg: inkomen<br>- Rijksfonds Sociale Reclassering: tewerkstelling en opleiding<br>- Fonds Medische, Sociale en Pedagogische Hulp: opvang en begeleiding |
| Na 1980 | Overheveling naar gemeenschappen | Samenvoeging Rijksfonds en Fonds 81 in Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap (VFSIPH) |
| 2006 | Herstructurering Vlaamse overheid (BBB) | VFSIPH wordt Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)<br>Sector opleiding en tewerkstelling naar VDAB |
3. Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)
- Type: Intern Verzelfstandigd Agentschap (IVA) binnen beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
- Doelstellingen:
- Maximaliseren van autonomie en levenskwaliteit van personen met een handicap.
- Behandelen van aanvragen voor tegemoetkomingen (hulpmiddelen, woning- en wagenaanpassingen).
- Toezicht op besteding van persoonlijke budgetten.
- Erkennen en vergunning verlenen aan begeleidings- en opvangdiensten.
4. Definitie van handicap volgens VAPH
-
Gebaseerd op de Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren (ICF) met drie kernbegrippen:
- Stoornis: Afwijkingen of verlies van functies/anatomische eigenschappen (niet gelijk aan ziekte).
- Beperking: Moeilijkheden bij het uitvoeren van activiteiten door stoornis.
- Maatschappelijke participatieprobleem: Problemen bij deelname aan het maatschappelijk leven (bv. werk, onderwijs, mobiliteit).
-
Voorwaarde: problemen moeten langdurig (chronisch/definitief) en belangrijk zijn (nood aan bijzondere ondersteuning).
Definitie handicap VAPH:
"Elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten, en persoonlijke en externe factoren."
- Erkenning als persoon met een handicap is noodzakelijk voor toegang tot niet-rechtstreeks toegankelijke ondersteuning en tegemoetkomingen.
5. Kernpunten
- De zorg voor personen met een handicap evolueerde van isolatie in gestichten naar maatschappelijke integratie.
- Vlaamse overheid bundelde bevoegdheden in het VAPH, dat ondersteuning en erkenning regelt.
- Handicap wordt breed en individueel beoordeeld op basis van stoornis, beperking en participatieproblemen.
Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)
1. Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)
Le VAPH baseert la définition d'un handicap intellectuel ou d'une limitation sur les directives de la DSM-5-TR, l'AAIDD et le Classificerend Diagnostisch Protocol.
2. Handicap intellectuel
Défini par l’American Psychiatric Association comme un trouble survenant pendant la période de développement, avec des limitations à la fois dans :
- Le fonctionnement intellectuel (QI ≤ 70-75, avec prise en compte des erreurs de mesure)
- Le fonctionnement adaptatif, sur 3 plans :
- Conceptuel : langage, lecture, écriture, compréhension de l’argent, du temps, des nombres
- Social : compétences interpersonnelles, responsabilité sociale, estime de soi, résolution de problèmes sociaux, respect des règles
- Pratique : activités quotidiennes, travail, soins de santé, mobilité, gestion de routines, sécurité, gestion de l’argent et multimédia
a) Critères pour le diagnostic
| Critère | Description |
|---|---|
| Intelligence | QI ≤ 70-75 mesuré par test standardisé |
| Adaptation | Limitations dans le comportement adaptatif par rapport aux normes culturelles et d’âge |
| Développement | Début des limitations avant 22 ans (trouble du développement) |
Le handicap intellectuel implique des limitations à la fois intellectuelles et adaptatives, apparues avant l’âge adulte.
3. Troubles moteurs
Deux types selon l’origine de la limitation :
| Type | Description et exemples |
|---|---|
| Centrale | Troubles dus à une lésion cérébrale : <br>- Paralysie cérébrale (CP) : trouble moteur non évolutif <br>- Sclérose en plaques (MS) : maladie auto-immune <br>- Autres maladies neurologiques dégénératives (ALS, maladie de Friedreich, Huntington) <br>- Spina bifida : malformation congénitale de la colonne vertébrale <br>- Myopathies : maladies musculaires |
| Anatomique | Limitations dues à des anomalies anatomiques : <br>- Dysmelie : malformation congénitale des membres <br>- Poliomyélite (paralysie infantile) <br>- Anomalies du squelette ou des membres |
4. Troubles du comportement et émotionnels (GES)
Regroupent des troubles avec des comportements externalisés ou internalisés, souvent débutant en enfance ou adolescence :
- Trouble de l’attention avec/sans hyperactivité (AD(H)D)
- Trouble oppositionnel avec provocation : comportement hostile et défiant envers l’autorité
- Trouble d’anxiété de séparation : peur excessive de la séparation des figures d’attachement
- Trouble d’anxiété sociale : peur intense du jugement social, évitement des situations sociales
- Mutisme sélectif : incapacité à parler dans certaines situations sociales malgré une parole normale ailleurs
- Trouble réactionnel de l’attachement
- Trouble dépressif chez l’enfant
5. Lésions cérébrales acquises (NAH)
- Surviennent au moins 6 mois après la naissance
- Peuvent affecter diverses fonctions selon la localisation et l’étendue du dommage cérébral :
| Domaine affecté | Exemples |
|---|---|
| Fonctions motrices | Troubles de la motricité |
| Perception sensorielle | Troubles auditifs et visuels |
| Langage et voix | Difficultés d’élocution et de communication |
| Fonctions cognitives | Orientation, mémoire, raisonnement, jugement, fonctions exécutives, langage, calcul |
| Comportement et émotions | Modifications du comportement et des émotions |
6. Troubles visuels
- Variété importante de formes et de degrés de sévérité (non détaillés ici)
Le VAPH utilise des critères stricts et multidimensionnels pour évaluer les handicaps, intégrant aspects intellectuels, moteurs, comportementaux et sensoriels.
Definitie handicap
1. Definitie handicap
De definitie van handicap is gebaseerd op de Internationale Classificatie van het Menselijk Functioneren (ICF). Hierbij worden drie kernbegrippen gehanteerd:
| Begrip | Definitie |
|---|---|
| Stoornis | Een probleem in lichaamsfunctie of structuur, zoals een afwijking of verlies. |
| Beperkingen | Moeilijkheden die iemand ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten. |
| Maatschappelijk participatieprobleem | Problemen die ontstaan bij het deelnemen aan het maatschappelijke leven. |
Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) gebruikt een definitie van handicap waarin deze drie elementen geïntegreerd zijn.
a) Stoornis
- Een stoornis verwijst naar een afwijking of verlies van een lichaamsfunctie of structuur.
- Dit kan bijvoorbeeld een visuele of auditieve stoornis zijn.
b) Beperkingen
- Beperkingen zijn de functionele gevolgen van een stoornis.
- Ze beïnvloeden het vermogen om dagelijkse activiteiten uit te voeren.
c) Maatschappelijke participatieproblemen
- Dit betreft de moeilijkheden die ontstaan bij het deelnemen aan het sociale en maatschappelijke leven.
- Deze problemen zijn vaak het gevolg van stoornissen en beperkingen, maar ook van omgevingsfactoren.
> Een handicap ontstaat door de wisselwerking tussen stoornissen, beperkingen en maatschappelijke participatieproblemen.
2. Voorbeeld: Visuele stoornissen
Visuele stoornissen verschillen sterk naargelang het type oogafwijking en de ernst ervan. Belangrijke subgroepen zijn:
| Type visuele stoornis | Kenmerken en gevolgen |
|---|---|
| Verminderde visus | Bijvoorbeeld aandoeningen van de oogzenuw, hoge myopie; kan leiden tot geen lichtperceptie. |
| Gezichtsvelddefecten | - Centraal defect (bv. ziekte van Stargardt) <br> - Perifeer defect (bv. kokerzicht bij glaucoom) <br> - Beperking door centrale pathologie (bv. CVA, hemianopsie) |
| Combinatie visus en gezichtsveld | CVI (cerebrale visuele inperking) en agnosie (verlies van herkenningsvermogen) |
3. Voorbeeld: Auditieve stoornissen
Auditieve stoornissen worden ingedeeld op basis van tijdstip, aard en ernst van het gehoorverlies.
| Indelingstype | Kenmerken |
|---|---|
| Tijdstip van ontstaan | - Prelinguaal: gehoorverlies vóór taalontwikkeling (< 3,5 jaar), meestal aangeboren <br> - Postlinguaal: gehoorverlies na taalverwerving, kan spraakverlies veroorzaken |
| Type gehoorverlies | - Geleidingsverlies: letsel in uitwendig oor/middenoor, binnenoor intact <br> - Neurosensorieel verlies: letsel in binnenoor, gehoorzenuw of hersenen <br> - Gemengd verlies: combinatie van beide |
| Ernst van gehoorverlies | Variërend van licht verminderd gehoor tot volledige doofheid, unilateraal of bilateraal |
4. Samenvatting
- Handicap is een complex begrip dat stoornissen, beperkingen en maatschappelijke participatieproblemen omvat.
- Visuele en auditieve stoornissen zijn voorbeelden van stoornissen met verschillende functionele gevolgen.
- Het tijdstip en type van gehoorverlies zijn cruciaal voor communicatie en taalontwikkeling.
- Het VAPH richt zich op het ondersteunen van personen met een handicap door tegemoetkomingen, hulpmiddelen en maatschappelijke integratie.
Soorten handicaps en stoornissen
1. Begrippen: Stoornis, Beperking en Maatschappelijke Participatie
- Stoornis: afwijkingen of verlies van functies/anatomische eigenschappen (bv. nefropathie). Diagnose is noodzakelijk maar niet voldoende om van handicap te spreken.
- Beperking: moeilijkheden bij uitvoeren van activiteiten door stoornis. Ernst inschatten via nood aan hulpmiddelen of ondersteuning.
- Maatschappelijke participatie: problemen bij deelname aan het maatschappelijk leven (werk, onderwijs, mobiliteit). Essentieel voor definitie handicap.
Een handicap vereist langdurige en belangrijke participatieproblemen, niet alleen een stoornis of beperking.
2. Definitie Handicap volgens VAPH
- Handicap = langdurig en belangrijk participatieprobleem door samenspel van:
- functiestoornissen (mentaal, psychisch, lichamelijk, zintuiglijk),
- beperkingen in activiteiten,
- persoonlijke en externe factoren.
- Elke aanvraag wordt individueel beoordeeld; erkenning als persoon met handicap (Pmh) en ondersteuning volgt bij voldoen aan definitie.
3. Soorten Handicaps en Stoornissen
| Soort handicap/stoornis | Kenmerken / Definitie |
|---|---|
| Verstandelijke beperking | Ontstaat tijdens ontwikkeling; beperkingen in intellectueel en adaptief functioneren (conceptueel, sociaal, praktisch). |
| Motorische stoornis | Twee types: centrale oorsprong (bv. cerebrale parese, MS) en anatomische afwijking (bv. dysmelie, poliomyelitis). |
| Gedrags- en emotionele stoornissen (GES) | Verzamelnaam voor stoornissen met externaliserend/internaliserend gedrag, vaak beginnend in kinderjaren (bv. ADHD, sociale angst). |
| Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) | Letsels aan hersenen na 6 maanden leeftijd, met stoornissen in motoriek, perceptie, spraak, cognitie, gedrag. |
| Visuele stoornis | Diverse vormen: verminderde visus, gezichtsvelddefecten, CVI (cerebrale visuele inperking), agnosie. |
| Auditieve handicap | Zie aparte cursus. |
4. Verstandelijke Beperking
- Beperking in intellectueel functioneren (IQ ≤ 70-75) en adaptief gedrag (conceptueel, sociaal, praktisch).
- Ontwikkelingscriterium: beperkingen ontstaan vóór 22 jaar.
- Adaptief gedrag omvat:
- Conceptuele vaardigheden: taal, lezen, rekenen, tijdsbesef.
- Sociale vaardigheden: interpersoonlijk, zelfwaardering, probleemoplossing.
- Praktische vaardigheden: zelfzorg, werk, mobiliteit, veiligheid.
5. Motorische Stoornis
- Centrale oorsprong: neurologische aandoeningen zoals cerebrale parese, MS, spina bifida, myopathie.
- Anatomische afwijking: aangeboren of verworven afwijkingen aan ledematen of skelet (bv. dysmelie, poliomyelitis).
6. Gedrags- en Emotionele Stoornissen (GES)
- Stoornissen met gedragskenmerken die vaak in kinder- of adolescentieperiode beginnen.
- Voorbeelden: ADHD, oppositioneel-opstandige stoornis, separatieangst, sociale angst, selectief mutisme, reactieve hechtingsstoornis, depressie bij kinderen.
7. Niet-aangeboren Hersenletsel (NAH)
- Letsels aan hersenen ontstaan na 6 maanden leeftijd.
- Stoornissen in motoriek, zintuiglijke waarneming, spraak, cognitieve functies (geheugen, denken, taal), gedrag en emoties.
8. Visuele Stoornis
- Variërende gradaties en typen visuele problemen.
- Subgroepen:
- Verminderde visus (bv. hoge myopie, oogzenuwaandoeningen).
- Gezichtsvelddefecten (centraal: Stargardt; perifeer: glaucoom; door centrale pathologie: CVA/hemianopsie).
- CVI: stoornis in visuele projectiebanen of visuele hersenschors, vaak met neonataal incident.
- Agnosie: verlies vermogen tot herkennen van personen/voorwerpen.
Een handicap wordt bepaald door langdurige en belangrijke participatieproblemen veroorzaakt door stoornissen en beperkingen, beoordeeld in hun maatschappelijke context.